vrijdag 4 oktober 2013

Nederland bouwt weer een computer (2)

De wetenschappelijke activiteiten op het gebied van computer ontwikkeling en computerbouw hebben vanaf 1956 tot commerciële activiteiten in Nederland geleid.

Electrologica
Na het gereedkomen van de ARMAC (1956) besloot het Mathematisch Centrum haar inspanningen op het gebied van computerbouw te staken. Er werden op basis van de ARMAC plannen gesmeed, die zouden leiden tot een commercieel bedrijf zouden leiden, gericht op de fabricage van computers. Maar hiervoor moest financiering worden gezocht. Een partner werd er gevonden in de Nillmij, de Nederlandsch-Indische Levensverzekering- en Lijfrente-Maatschappij, die het belang en de potentie van een Nederlandse computerindustrie inzag en tevens durfde te investeren in zo'n risicovolle onderneming. De president-directeur van deze verzekeringsmaatschappij, J. Engelfriet, had binnen het bedrijf al stappen tot automatisering ondernomen en was overtuigd dat in Nederland een computerindustrie moest komen. De samenwerking tussen de groep wetenschappers van het mathematisch Centrum en de verzekeringsmaatschappij leidde in1956 tot de oprichting van N.V. Electrologica, het eerste Nederlandse bedrijf, dat zich specifiek met de bouw van computers ging bezighouden.

Het ontwikkelingsteam bestond aanvankelijk uit  A. van Wijngaarden, B.J. Loopstra en C.S. Scholten. Engelfriet was niet zomaar een investeerder, maar bemoeide zich intensief met het bedrijf, met name met de softwareafdeling, die tot 1965 in het gebouw van de Nillmij gevestigd was.

De X1 werd in 1958 gepresenteerd en was een commercieel succes. Er werden meer dan 30 machines verkocht in binnen- en buitenland. De X1 werd dan ook gezien als één van de beste wetenschappelijke machines van zijn tijd. Vijf jaar later werd de X8 aangekondigd. Het was een snellere machine en was ook weer een commercieel succes. Maar toen men variaties begon te produceren op de X8 door de machines uit te kleden. Uiteindelijk werden de ontwikkelingskosten te hoog en kwam er concurrentie o.a. van IBM en andere, vnl. Amerikaanse computerfabrikanten. Electrologica zocht vanaf 1965 samenwerking met Philips, die het bedrijf in 1968 overnam en het integreerde in Philips-Electrologica. Hiermee viel het doek voor N.V. Electrologica en de X-serie, een traditie die was begonnen bij het Mathematisch Centrum en krap 20 jaren had geduurd.

Philips
Philips was in de jaren vijftig als elektronicabedrijf een geduchte nationale en internationale industriële speler. Het is dan ook verwonderlijk dat Philips in de jaren vijftig niet in de markt sprong van commerciële computerbouwers. Zoals gemeld in de eerste aflevering, bouwde Philips Natuurkundig laboratorium twee experimentele computers: de PETER (1958) en de PASCAL (Philips Akelig Snelle CALculator; 1960). Maar commercieel zat Philips met een probleem. Het bedrijf was actief in het maken van componenten voor IBM. En omdat dit profijtelijke handel was, wilde Philips geen concurrent van IBM worden.

Maar vanaf 1960 zag men bij Philips ook dat er een nieuwe en grote markt open lag, die zowel wetenschappelijk onderzoek, techniek als administratie besloeg. In dat jaar richtte het elektronicabedrijf Philips Computer Industrie (PCI) op om zelf te starten met de productie van computers. Na de overname van Electrologica in 1968 veranderde Philips de naam PCI in Philips-Electrologica en kreeg een eigen fabriek in Apeldoorn.

Terwijl de productie van de Electrologica computers gestaakt werd, kwam Philips in 1969 met de P1000 computerfamilie en voorlopers zoals de P880 (zie foto) op de markt. Het eerste exemplaar werd verkocht aan de PTT voor de automatisering van de Girodienst. De leveranties van enkele honderden computers kwamen echter voornamelijk tot stand via de bestaande, binnenlandse netwerken en niet via de gebruikelijke verkoopkanalen. In 1976 stopte de productie ervan.

Philips-Electrologica had intussen een naamsverandering ondergaan in Philips Data Systems (PDS). Dit bedrijf  ging zich concentreren op minicomputers en kleinere systemen. Dit leidde tot de enige twee jaren met winst: 1984 en 1985.

Ondertussen was eerst het home computer en daarna de personal computer op de markt gekomen. Philips was in het home computer markt actief met de Philips P2000 en later met de MSX. Naar het voorbeeld van de IBM-PC besloot Philips in 1986 om ook PC’s te gaan bouwen, geen succes werden, ondanks campagnes met Headstart computers en gebundelde CD-ROMs, o.a. geproduceerd door het Rotterdamse bedrijf AND. In 2003 was het PC avontuur voor Philips over met de sluiting van de Apeldoornse vestiging. Het PC avontuur van Philips was  niet overtuigend. Want in dezelfde tijd begon Philips een half miljard dollar te storten in het CD-interactief avontuur, dat commercieel duurde van 1991 tot 1996. Philips halfslachtigheid werd samengevat in de filosofie: je zit vóór de televisie met CD-i in de huiskamer en achter je persoonlijke computer in je slaap- of studeerkamer.

Holborn
Behalve commerciële productiebedrijven, Electrologica en Philips, was er vanaf 1980 ook een bedrijf actief, dat uitsluitend PCs produceerde: Holborn (Born in Holland). De hardware van de machine was ontworpen door H.A. Polak en de terminal door Vos Industrial Designers. Van binnen is de terminal een aangepaste MicroBee. De Holborn gebruikte het besturingssysteem CP/M.

Het bedrijf Holborn was slechts kort actief, van 1980 tot 1983, toen het failliet ging. Er zijn waarschijnlijk slechts 200 apparaten verkocht, vnl. aan kleine bedrijven voor administratieve en boekhouddoeleinden. Voor de gestylde en ergonomische machine werd destijds 30.000 gulden (ca. 14.000 euro) gevraagd. Het bedrijf moest opboksen tegen machines zoals de IBM PC, maar ook andere, meestal goedkopere kantoormachines als Wang.

De Delftse quantumcomputer
De geschiedenis van de Nederlandse computerbouw overziend, lijkt zich eenzelfde scenario te gaan afspelen. De computerbouw is terug bij de universiteit, in dit geval niet in Amsterdam, maar in Delft. Het verschil in scenario is echter dat vanaf het begin ook de wetenschappelijke instituten en het bedrijfsleven erbij betrokken zijn. Op deze manier kan het bedrijfsleven voordeel via spin-offs genieten.

Wel blijft de vraag over, waarom een universiteit moet beginnen met de bouw van de quantumcomputer. In de VS zijn er o.a. al initiatieven genomen door bedrijven als IBM en Google. Vanwaar dan dit Nederlandse initiatief?  De bouw van quantumcomputers staat nog in de kinderschoenen en in Delft zit een groep experts in de quantumleer en nanotechnologie, die nu via QuTech theorie in praktijk kunnen omzetten.

woensdag 2 oktober 2013

Nederland bouwt weer een computer (1)

Nederlandse wetenschappers gaan onder leiding van de TU Delft werken aan een supercomputer. De computer moet over vijftien jaar klaar zijn. Het gaat om een zgn. quantumcomputer is een project van QuTech, een instituut voor innovatie, voor negen miljoen per jaar gefinancierd, gefinancierd door het Rijk, de TU Delft, de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek en het bedrijfsleven.

Na meer dan 60 jaar gaat Nederland weer een eigen computer bouwen. Want tussen 1950 en 1980 werden er computers gebouwd op universiteiten en door commerciële bedrijven in Nederland. Sommige van die computers bestaan nog; veel bleven niet bewaard. In 2010 heeft SCEN, Stichting Computer Erfgoed Nederland, het Nationaal Register Historische Computers gepubliceerd.

Universiteit als computerbouwer
Vanaf 1952 bestudeerden wetenschappers niet alleen computers, maar begonnen ze die ook te ontwikkelen. Universiteiten en wetenschappelijke instellingen werden computerbouwers.
 
 De eerste computer in Nederland was de ARRA I (Automatische Relais Rekenmachine Amsterdam). Hij werd in Amsterdam gebouwd door het Mathematisch Centrum. Het was een machine die wekte met relais, door elektromagneten bediende schakelaars. In de praktijk bleek de machine niet bruikbaar. Bij de presentatie op 21 juni 1952 in aanwezigheid van de Amsterdamse burgemeester d'Ailly en minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen F.J. Th. Rutten aanwezig moest het apparaat een tabel met willekeurige getallen genereren, wat lukte, maar daarna heeft het de geest gegeven. De ARRA II uit 1954 werd wel een succes. De computer bevatte radiobuizen en, transistors en een ringkerngeheugen. Met deze computer werden met succes berekeningen uitgevoerd voor o.a. de Fokker vliegtuigfabriek. De ARRA I noch de ARRA II zijn bewaard gebleven.

In 1954 werd door het Mathematisch Centrum begonnen met de bouw van een tweede generatie computer, de ARMAC (Automatische Rekenmachine MAthematisch Centrum); in 1956 was de computer klaar. Nieuw bij deze machine was dat de software als uitgangspunt werd genomen. Op basis van het ontwerp van de software werd vervolgens de hardware gebouwd. Deze computer maakte gebruik van transistors, een trommelgeheugen en een ringkerngeheugen. De ARMAC rekende onder andere ten behoeve van de Deltawerken. De computer leek commercieel perspectief te hebben. Er is overigens geen exemplaar van de ARMAC bewaard gebleven.

Ook op de TU Delft werd onderzoek gedaan en werden computers gebouwd. In 1952 ontwikkelde Willem van der Poel de ARCO (bijgenaamd Testudo). In het jaar erna werkte hij aan de ontwikkeling van de PETRA, de eerste computer in Nederland met radiobuizen in plaats van relais. In 1957 bouwde Van der Poel de eerste ZEBRA, die half werkt met buizen en half met transistors. De ZEBRA was zo succesvol dat hij, overigens volledig met transistors, in Groot-Brittannië door Stantec in productie werd genomen. De ARCO is bewaard gebleven in de collecties van de TU Delft; de PETRA is echter niet bewaard gebleven. Van de Stantec ZEBRA zijn nog twee exemplaren te vinden in de collecties van de TU Delft.

Wetenschappelijke instellingen
Bij TNO bouwde men in 1955 een computer, de VTH, een technisch zeer geavanceerde analoge computer. Vliegtuigbouwer Fokker gebruikte de computer om vliegtuigbewegingen en luchtstromen te berekenen en simuleren. De VTH wordt gezien als de eerste zeer geavanceerde technisch-wetenschappelijke computer In Nederland. Van de VTH zijn nooit meer exemplaren gebouwen. Nu maakt de VTH deel uit van de collecties van de TU Delft.

In de jaren vijftig was Philips als elektronicabedrijf niet actief in de bouw van commerciële computers. Wel werd bij het Philips Natuurkundig Laboratorium (Natlab) de PETER gebouwd, die in 1958 operationeel werd. Deze werd gevolgd door de PASCAL (Philips Akelig Snelle CALculator), die in 1960 in gebruik werd genomen en veel sneller en betrouwbaarder was dan zijn voorganger. Maar commercieel zat Philips met een probleem, want het bedrijf was actief in het maken van componenten voor IBM. En omdat dit een goede handel was, wilde Philips eigenlijk geen concurrent van IBM worden, maar dat veranderde na 1960.

Tegen het einde van de jaren vijftig waren de universiteiten, met name de Universiteit van Amsterdam en Technische Universiteit Delft, klaar met het bouwen van computers. Omdat het Mathematisch Centrum niets voelde voor een commercieel avontuur met de ARMAC, werd in 1956 het bedrijf Electrologica opgericht. Een jaar later kwam IBM met mainframes op de markt.

Het is interessant om te observeren dat een vergelijkbare situatie is ontstaan rond de quantumcomputer. Er is nog geen quantumcomputer. Er moet bovendien nog veel onderzoek gedaan worden naar de toe te passen quantumleer, te gebruiken nano-apparatuur, maar ook de software. Duurde de ontwikkeling van computers aan de universiteiten in de jaren vijftig ruwweg een decennium, de ontwikkeling van de quantumcomputer wordt geraamd op 15 jaar.

zaterdag 28 september 2013

Google introduceert nieuw zoekalgoritme

Onder de naam Hummingbird (Kolibrie) heeft Google een nieuwe versie van haar zoekalgoritme in gebruik genomen. De introductie valt samen met de 15e verjaardag van Google.

 Google startte ooit met het zoekalgoritme BackRub, een software gebaseerd op een zoekprogramma dat op Stanford University gebruikt werd. Dit zoekprogramma leunde sterk op Booleaanse principes AND, OR en NOT, waarmee trefwoorden werden ingesloten of uitgesloten. Dit was in die tijd geen probleem aangezien de gebruikers nog niet zoveel ervaring hadden met zoeken. Ze gebruikte of een enkelvoudige zoekterm of een meervoudige zoekterm. Maar in de loop van de jaren zijn de zoeker meer bedreven geworden en geven nu concepten en woorden met meningen in. Hierdoor worden de zoekacties langer en meer gecompliceerd en werd het zoekprogramma minder effectief. Intussen wordt meer dan 90 procent van de zoekvragen afgehandeld door het Hummingbird zoekalgoritme.

Dit jaar is het 15 jaar geleden dat Larry Page en Sergey Brin hun bedrijf officieel opzette en begonnen te werken in de garage van Susan Wojcicki, intussen een senior Google medewerkster. De 15e verjaardag is gezet op 27 september 1998, omdat Google’s indexsysteem dat van Yahoo passeerde. Twee jaar later zou Google een samenwerking met Yahoo! aangaan en werd de Google de standard zoekmachineleverancier. Eveneens in 2000 kondigde Google de eerste index van een miljard URLs aan, waarmee het bedrijf de grootste zoekmachine ter wereld werd.

De oprichters van Google kenden elkaar van Stanford University sinds 1996. Als postdoc studenten begonnen zij te werken aan een zoekmachine, die zij BackRub noemden. Deze machine was gebaseerd op software die al op de servers van Stanford werd gebruikt, maar die uiteindelijk ervan werd afgehaald, aangezien deze teveel bandbreedte gebruikte. In 1997 besloten Page en Brin hun zoekalgoritme een nieuwe naam te geven. Na een brainstorm, kwamen zij op de naam Google! (met uitroepteken), een woordspeling op de wiskundige term googol, een 1 gevolgd door 100 nullen. De nieuwe naam gaf tevens de ambitie van oprichters aan; zij wilden de oneindige hoeveelheid informatie op internet organiseren met een zoekmachine.

vrijdag 20 september 2013

Herbouw Philips paviljoen Expo ’58 (voorlopig) gesneuveld

Iedere verkiezing heeft zijn verliezers; zo ook met de verkiezing van de Culturele Hoofdstad 2018. Leeuwarden mag zich met de Maltese stad Valletta Culturele Hoofdstad 2018 noemen. De Friese hoofdstad is uiteraard blij met de verkiezing en steden als Maastricht, Den Haag, Utrecht en Eindhoven likken hun wonden. Al die steden hebben geld gestopt in plannen en een uitgebreid document met plannen (zie bidbook Leeuwarden).  

Herbouw Philips paviljoen
In al die documenten met plannen zijn fascinerende plannen terug te vinden. Zo bevat het Eindhovens document het plan om het Philips paviljoen van de Expo 1958 te herbouwen in de wijk  Strijp-S. De Stichting Reconstructie Philips Paviljoen 1958 wilde het markante gebouw laten herbouwen voor 8,5 miljoen euro en had plannen om er een „levend laboratorium” in te vestigen, waar kunstenaars en ontwerpers zouden kunnen beschikken over de allerlaatste technologieën. Nu Eindhoven geen Culturele Hoofdstad wordt wil de gemeente niet bijdragen aan de herbouw. De Stichting geeft zich zelf echter een jaar de tijd om het benodigde geld bij elkaar te halen.

Waarom een herbouw?
Je kunt je natuurlijk afvragen waarom een gebouw uit 1958 herbouwd zou moet worden. Er zijn een paar redenen tegen en vóór te verzinnen. Je kunt natuurlijk zeggen, dat de Expo ’58 al zijn monument in Brussel heeft met de bollenconstructie van aluminium, het Atomium.  Anderzijds kun je argumenteren, dat het paviljoen een markant gebouw is, waarvan het ontwerp in 1958 zelfs futuristisch was. Leuk om zo’n retro gebouw in de wijk te hebben. Het ontwerp was van de Iannis Xenakis in samenwerking met het bureau van de beroemde Franse architect Le Corbusier. maar Le Corbusier ging akkoord met de sloop van het gebouw na afloop van de Expo, omdat het niet vior de eeuwigheid ontworpen was. Het argument, dat het een nieuwe inspirerende omgeving zou worden voor kunstenaars die de allerlaatste technologieën zouden gebruiken, is leuk, maar ook een kostbare invulling. De echte reden voor de herbouw van het Philips paviljoen is niet zozeer het gebouw, maar ook het project Poème Electronique. Geschiedkundig gezien markeerde dit project het begin van multimedia en de overgang van analoge multiple media naar digitale multimedia.  

Startpunt van multimedia
In dit bouwkundig gewaagde paviljoen presenteerde Philips de eerste grootschalige multimediavoorstelling. Voor de wereldtentoonstelling wilde Philips de vooruitgang en innovatie
symboliseren: licht, geluid, elektronica en automatisering. Het idee was afkomstig van Louis Kalff, de art-director van Philips. Hij schakelde de Franse architect Le Corbusier in, die op zijn beurt de Griekse architect Iannis (Yean) Xenakis en de Frans-Amerikaanse componist Edgar Varèse bij het project betrok. Iannis Xenakis ontwierp het paviljoen, Varèse zorgde voor de muziek en L e Corbusier zou het licht en de beelden verzorgen.

Het grondplan van het paviljoen had de vorm van de menselijke maag, met een oppervlakte van 1.000 m2 en een hoogte van 22 meter. De bouwtechnologie was innovatief, aangezien de geometrische constructie bestond uit pijpen en betonblokken. Het interieur was leeg en donker en bood een staanplaats aan 500 mensen.

De bezoekers zagen een diashow met beelden die rondom werden geprojecteerd, ondersteund door elektronische muziek uit 400 speakers. De multimediashow duurde 480 seconden en verhaalde de geschiedenis van de mensheid in beeld en geluid met afbeeldingen van de natuur, maskers van oude culturen, wapentuig, kinderen, volwassenen, bejaarden, steden, geboorte, leven en dood.
 
De opzet was een show te produceren en te presenteren waarin beeld en geluid zich tot één geheel vermengde en een grootse ruimtelijke ervaring bood (Gesamtkunst). Het spektakel begon met de aankondiging: ‘Philips heeft automatische apparatuur ontworpen die een nieuwe kunst met onbegrensde mogelijkheden inluidt, namelijk het elektronische samenspel van licht, kleur, beeld, woord en muziek in de ruimte. Het ‘elektronisch gedicht’ toont hoe onze steeds sterker gemechaniseerde beschaving streeft naar een toekomstige nieuwe harmonie.’

De samenwerking tussen de kunstenaars was echter minder krachtig dan verwacht mocht worden. Bovendien kwam de 75-jarige Varèse in conflict met de geluidsexperts van Philips. Desondanks kwamen de bezoekers verbijsterd uit het paviljoen, overweldigd door de beelden, geluiden en technologische hoogstandjes.

Het paviljoen, dat zes miljoen gulden (minder dan drie miljoen euro) had gekost, werd na afloop van de wereldexpositie opgeblazen en het creatief project verdween in de vergetelheid. In 2005 kon het Poème Electronique opnieuw ervaren worden op een conferentie in Den Haag. De diaprojectoren waren vervangen door een paar pc’s en de 400 speakers door enkele surround boxen. De 480 seconden tellende show is nu te zien (niet te ervaren) op YouTube en het Engelstalige filmpje.

(Fragment uit het boek Toen digitale media nog nieuw waren – Pre-internet in de polder (1967-1997) door Jak Boumans).

zaterdag 14 september 2013

Iedere e-boekkoper is een potentiële piraat

De piraterijangst van boekenuitgevers gaat ver. Hoewel de muziek-, film en gamesectoren ze al zijn voorgegaan met de introductie van e-producten en het falen van de strijd tegen de piraterij, gaan uitgeverijen, de e-boekwinkels en de entertainmentpolitie Brein, elke verkoop van een e-boek met watermark registreren voor eventuele vervolging. Want vanaf nu worden de gegevens van kopers van e-boeken met een watermerk geregistreerd en minimaal twee jaar bewaard. Het vertrouwen van de uitgeefsector in de e-boekkoper is minimaal: iedere e-boekkoper is een potentiële piraat.

Oorspronkelijk was het watermark voor e-boeken bedoeld als een sociaal watermark. Bij (commerciele) piraterij zou het  kopiëren herleid kunnen worden tot de koper/eerste eigenaar van het e-boek.  

De entertainment politieagent Brein verplicht boekhandelaars en internetboekendistributeurs, die via het distributieplatform eBoekhuis van CB, voorheen Centraal Boekhuis, e-boeken verkopen klantgegevens te registreren en te verstrekken aan de stichting Brein. De boekhandelaren in Nederland en België zouden de gegevens twee jaar moeten bewaren.   
 

Onlangs hebben een groot aantal Nederlandse uitgevers van e-boeken besloten afstand te nemen van DRM, het slot op e-boeken. Ze zijn ervan overtuigd dat de het DRM slot de verkoop van e-boeken hindert, aangezien de e-boeken dan niet op meerdere apparaten gekopieerd kunnen worden. Dat kan nu wel met e-boeken, die in EPUB en Adobe PDF formaten worden voorzien van een watermerk; hierbij wordt het e-Boek gemarkeerd met de naam van de koper zichtbaar op iedere pagina en andere onzichtbare kenmerken.  Via deze markeringen kan het boek herleid worden naar de koper. De 2500 deelnemende boekenhandelaren zijn verplicht om een contract te ondertekenen met de verplichting om gegevens door te spelen aan de stichting Brein in geval van misbruik.

Met deze verplichting lijkt de stichting Brein een rechtszaak uit te lokken om vast te stellen of deze verplichting ingaat tegen privacy van de koper en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De stichting zegt niet persoonlijke uploaders te gaan achtervolgen, maar dat het vooral te doen is om uploaders van met name torrent sites te kunnen identificeren.

Kamerlid Astrid Oosenbrug van de PvdA heeft Kamervragen gesteld aan de minister van Veiligheid en Justitie of Brein webwinkeliers van e-boeken kan verplichten tot registratie van persoonlijke gegevens en de bewaarplicht van minimaal twee jaar.

Twijfel aan de Brein methode
In de boekenwereld wordt getwijfeld aan de methode die Brein wil toepassen. Bol.com heft al aangegeven zich niet te onderwerpen aan deze verplichting. Uitgeverij Springer SBM stelt dat illegaal kopiëren en verspreiden van e-boeken de omzet niet nadelig beïnvloedt. Ook Meulenhoff Boekerij gelooft niet dat een watermerk piraterij zal uitbannen; wel kan het helpen piraterij terug te dringen. Op Tweakers.net zegt een uitgever van Meulenhoff Boekerij: "Piraterij ontstaat vaak uit onvrede. Je moet de koper naast een goede prijs ook gebruiksgemak bieden". De uitgeverijsector lijkt weinig geleerd te hebben van de muzieksector: de piraterij ging naar beneden toe ITunes en RealPlayer gebruiksgemak en een aanvaardbare prijs boden.

De vraag is natuurlijk of het watermerk, de registratie en het bewaren piraten zal afschrikken. De e-boekkopers, die voor een e-boekexemplaar betaald hebben, zullen niet snel het boek ter kopiëring doorgeven. Bovendien hebben de meeste webwinkels de aankopen in persoonlijke bibliotheken opgeborgen.

De vraag is nu of e-boekkopers weerhouden worden van een aankoop door de registratie. Want je kunt er tenslotte op wachten, dat, net als bij de overheid en banken, binnenkort een verzameling van persoonlijke watermerkgegevens op straat komt te liggen. 

UPDATE 2/10/2013
Antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Oosenbrug (PvdA) aan de minister van Veiligheid en Justitie over het bericht dat webwinkeliers zich verplichten om klantinformatie door te geven aan Stichting Brein
Is het waar dat webwinkels die aangesloten zijn op het distributieplatform eBoekhuis verplicht kunnen worden om klantinformatie door te geven aan stichting BREIN? Zo ja, hoe verhoudt het doorgeven van dergelijke informatie aan
derden zich tot de wet- en regelgeving ten aanzien van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer? Zo nee, wat is er dan niet waar aan het gestelde?
 
Ondernemingen mogen overeenkomen dat zij bepaalde persoonsgegevens ter beschikking stellen aan derden mits wordt voldaan aan de voorwaarden die aan deze gegevensverwerking worden gesteld in de Wet bescherming
persoonsgegevens (Wbp). De meest voor de hand liggende verwerkingsgrond is in dit geval de ondubbelzinnige toestemming van de persoon van wie de gegevens worden verwerkt (artikel 8 onder a Wbp). Voor de verwerking van strafrechtelijke
persoonsgegevens, die in de Wbp als bijzondere persoonsgegevens worden aangemerkt, gelden aanvullende voorwaarden. Het College bescherming persoonsgegevens houdt toezicht op de verwerking van persoonsgegevens conform de Wet bescherming persoonsgegevens.
 
 
 

 

dinsdag 27 augustus 2013

Nachtuitzending over De Digitale Stad

Nachtradio is interessant. Recentelijk was er een uitzending over CD-i en vandaag was er een uitzending van de EO over de Digitale Stad. De burgemeester van De Digitale Stad (DDS), Marleen Stikker was aanwezig en luisteraars konden inbellen en vertellen over hun ervaringen met internet. Een directe aanleiding voor de het onderwerp was er niet, maar dat was er ook niet voor de uitzending over CD-i, de interactieve CD met spelletjes, films, encyclopedieën, opera's, gekoppeld aan de televisie, een uitvinding van Philips. DDS viert pas in januari 2014 haar lancering van 20 jaar geleden. Maar elke uitzending over DDS is goed, want dan blijft DDS in het collectieve geheugen hangen als de poort naar internet voor consumenten.

De twee-uur durende uitzending bevatte geen verrassingen noch van de interviewer, geinterviewden of inbellers. Verrassend was wel de uitzending begon met internet en eindigde met internet. Met geen woord werd gesproken over pre-internet;  alsof er voor 1993 geen online diensten zoals ASCII diensten, videotex, Bulletin Board Systems en berichtendiensten waren. De conclusie blijft duidelijk: er waren twee verschillende werelden. En die waren er natuurlijk ook. De internetters kwamen uit de academische wereld en de andere onliners zaten in de zakelijke dienstverlening, waren consumenten of computer amateurs. Voor degenen die de uitzending gemist hebben is hier een korte samenvatting van het project De Digitale Stad uit mijn boek Toen digitale media nog nieuw waren - Pre-internet in de polder (1967-1997). Uiteraard is de hele uitzending te beluisteren via Uitzending Gemist.

Hoewel XS4ALL vanaf 1 mei 1993 abonnementen op internet aan consumenten aanbood, maakte Nederland pas echt kennis met het nieuwe fenomeen vanaf januari 1994. Op de 15de van die maand werd in het zaterdag nieuws De Digitale Stad aangekondigd via een interview met Fred de Graaf en Marleen Stikker. Op maandag 17 januari opende DDS haar poorten, een project van het politiek-cultureel centrum De Balie en xs4all, naar het voorbeeld van de Free-Nets in Noord-Amerika. Aanleiding waren de gemeenteraadsverkiezingen in het voorjaar van 1994. Behalve via de plaatselijke televisie-, radio- en gedrukte media, zou via DDS een publieksdebat plaatsvinden. De metafoor van een virtuele stad werd gekozen om het karakter van het publieke domein van DDS te benadrukken. Na eerst tekstuele informatie- en communicatiediensten aangeboden te hebben, werd op 15 oktober 1994 overgegaan naar een grafische interface op het World Wide Web.
 
 
 
De organisatie kreeg geld van de gemeente Amsterdam voor het opzetten van een site. Om het debat in forums aan te wakkeren was er natuurlijk publieke belangstelling nodig. En die kreeg DDS op radio en televisie en in de schrijvende pers. Marleen Stikker werd de virtuele burgemeester van DDS en stond de media te woord. En aan de poorten stonden duizenden potentiële internetters van buiten Amsterdam te dringen om via een inbelverbinding toegang te krijgen tot DDS. Na zes weken telde het project al meer dan tienduizend geregistreerde gebruikers. Niet alleen internetaanbieder XS4ALL was verrast door de belangstelling, maar ook lijnenboer PTT Telecom.

Na het project moest DDS zich als stichting inschrijven bij de Kamer van Koophandel om haar diensten te kunnen blijven aanbieden. Maar het laatste bleek moeilijker te zijn dan gedacht, want er verschenen commerciële kapers op de kust. Desondanks is DDS tot 2000 een stichting gebleven; in dat jaar werd besloten over te stappen naar de rechtsvorm van een besloten vennootschap. Hoewel DDS eigenlijk een politieke discussieplaats wilde zijn, toonde het aan dat er in Nederland bij particulieren grote behoefte bestond aan toegang tot internet. DDS werd in 2000 via een management buy-out van het faillissement gered, maar als ISP was ze een kleine, onbelangrijke speler op de markt geworden.

maandag 19 augustus 2013

Nachtuitzending over CD-interactive van Philips

Nachtradio is interessant. Ik werd vannacht wakker toen de aankondiging werd gedaan dat er over Cd-i gepraat zou gaan worden. Een directe aanleiding voor de het onderwerp zoals een jubileum over dag van lancering was er niet. Er zou twee uur gepraat worden over CD-i, de interactieve CD met spelletjes, films, encyclopedieën, opera's, gekoppeld aan de televisie; een uitvinding van Philips. De uitzending was niet onaardig. Voor wie de uitzending gemist heeft, hierbij een samenvatting over CD-i uit mijn boek Toen digitale media nog nieuw waren - Pre-internet in de polder (1967-1997). Uiteraard is de uitzending te beluisteren via Uitzending Gemist.

Toen CD-ROM in 1985 voet aan de grond begon te krijgen, liet Philips als fabrikant van consumentenelektronica  al blijken een formaat te wensen dat in combinatie met de televisie afgespeeld kon worden. Het bedrijf lanceerde al vroeg de ‘compact disc interactive’ (CD-i), een formaat dat amusement zoals films, spellen en documentaires kon brengen.

Philips beschouwde de CD-ROM als een professioneel medium, terwijl CD-i specifiek voor de huiskamer bedoeld was. Bij de CD-ROM zat je achter de computer en bij de CD-i zat je vóór de televisie. CD-i moest o.a. de voorbespeelde videobanden gaan vervangen.

In 1991 kon Jan Timmer de CD-i in een New Yorkse disco lanceren. Het bedrijf stond alleen in het CD-i-avontuur, want andere elektronicafabrikanten van consumentenproducten hadden er geen belangstelling voor. Bill Gates van Microsoft bedierf op voorhand al het feestje door te stellen dat de CD-i geen enkele kans had op de Amerikaanse markt. Voor de verandering kreeg Gates gelijk. De CD-i werd in 1992 in Nederland gelanceerd.

 CD-i producenten
– CODIM, maker van o.a. Secrets of Tatjana (1993);
– Eaglevision, maker van de Kabouter van Rien Poortvliet;
– Explainer Interactive maker van de gesponsorde CD-i Futuropolis
– Lost Boys, maker van o.a. Het huis met een verhaal, over het Achterhuis van Anne Frank;
– NOB Interactive;  
– SPC Vision, maker van o.a. Philips Media Interactieve Encyclopedie (1996);
– Wigant Interactive Media, maken van Corrossion voor Elsevier Science;
– Valkieser, maker van o.a.  Captain Cook;
– Zoutewelle Multimedia, maker van de Wereldcup Voetbal USA ’94.

De ontwikkeling van titels voor CD-i
Philips begreep al snel dat het bedrijf niet alleen van de verkoop van CD-i-hardware kon leven. Het bedrijf zette een eigen uitgeverij op voor de ontwikkeling en distributie van titels, die in nauw overleg
zou gaan werken met ontwikkelaars en andere uitgevers. De nieuw opgezette uitgeverij Philips Media volgde een zigzagkoers ten aanzien van de titelontwikkeling van CD-i. Er kwam geen duidelijke positionering van het medium in de consumentenmarkt.

Het aanbod liep van eenvoudige kinderpuzzels tot spellen voor volwassenen, van educatieve titels tot encyclopedieën en van geïllustreerde audio-platen tot films. In feite probeerde Philips alle consumentensegmenten te bedienen met de CD-i. Daardoor moest het bedrijf niet alleen concurreren met de fabrikanten van spelcomputers maar ook met de producenten van multimedia CD-ROM’s. Vanaf 1992 kreeg Philips een tijdelijke voorsprong met cd-video, een videofaciliteit toegevoegd aan CD-i. Twee video CD-i’s waren op dat moment genoeg voor de opslag van een complete film.


Maar de filmwereld was nog niet toe aan deze distributievorm, vanwege de kwaliteit van de resolutie en meer nog over de onzekerheid van een solide beveiliging tegen kopiëren. Wel werden CD-I-schijfjes geproduceerd met videoclips zoals Pavarotti & Friends. In het professionele segment kon de CD-i een plaats innemen. Elsevier Science bracht een anatomische atlas uit, maar publiceerde voor de zekerheid dezelfde titel ook op cd-rom. Politieambtenaren werden getraind met Politiebevoegdheden, een serie van vijf CD-i’s geproduceerd door Circon. Schiphol en Shell kozen het format om functionarissen te trainen in veiligheidsregels. Het leermiddelenbedrijf VEKA liet een toepassing produceren, waarmee rijschoolleerlingen zich konden voorbereiden op verkeerssituaties tijdens het rij-examen. Ook voorlichters maakten gebruik van CD-i. Het Tilburgse ziekenhuis presenteerde zich via een CD-i aan de patiënten. De gemeente Nijmegen lanceerde een CD-i met publieksvoorlichting. De mogelijkheden die werden geboden op het gebied van bewegende beelden en interactiviteit maakten dat de CD-i in het opleidingssegment nog lang is gebruikt, tot ver na het einde van de CD-i op de consumentenmarkt.

CD-i had een voorbeeld van Neerlands succesvolle innovatie moeten worden, een product dat in feite geen negatieve publiciteit duldde. Philips maakt twee klassieke fouten die vaker voorkwamen en voorkomen bij nieuwe media: de pers mocht er niet negatief over schrijven en er werd gesjoemeld met de verkoopcijfers (net als de PTT ooit deed bij Viditel). Zo was Philips niet gelukkig met een onderzoek uit 1992. Het onderzoeksbureau Research voor Beleid hield, samen met het adviesbureau Electronic Media Reporting, een rondvraag onder de producenten van audiovisuele producties met de vraag of CD-i snel zou aanslaan. Een meerderheid van de producenten was er niet van overtuigd dat CD-i in de consumentenmarkt zou slagen en als het wel gebeurde dan zou dit pas na 1995 zijn. Wel geloofden de producenten in de mogelijkheden voor zakelijke toepassingen. Het Financieele Dagblad publiceerde op 2 september 1992 een artikel over het rapport onder de kop Wie zit er te wachten op cd Interactive? Philips was er niet blij mee.
 
In 1994 organiseerde Philips Het Nationaal CD-i-Festival en Congres in Rotterdam. Om meer positieve publiciteit te verwerven werden sprekers als Hans Breukhoven van de Free Record Shop en Willem van Kooten van muziekuitgeverij Red Bullet gevraagd. Van Kooten was kritisch over de toekomst van CD-i, maar zag als CD-i-producent het medium wel zitten als één van zijn inkomstenbronnen of kassa’s, zoals hij dat noemde. Maar het venijn zat in de staart van het congres met de presentatie van Michiel Frackers. In zijn boek Op zoek naar de heilige graal (Vassaluci, 2001) vertelt Michiel Frackers over zijn presentatie. Samen met Frans Straver had hij voor Communicatiewetenschap van de Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam een scriptie geschreven over succes- en faalfactoren in nieuwe media. Door Philips was hij gevraagd om voor de lunch nog een speech van 10 minuten te houden. ‘Tegen een felblauwe achtergrond toonde ik onze dia waarop CD-i werd samengeperst door de pc aan de bovenkant van de markt, en de spelcomputers zoals Sega en Nintendo aan de onderkant van de markt. Ik had nog nooit voor honderden mensen een presentatie gehouden. Ik wist dus ook niet of de totale stilte die volgde toen ik van het podium liep, normaal was.’ Dat was die dus niet. Philips wilde niet de waarheid uit de mond van studenten horen en verwijderde Frackers en Straver van de congresvloer.

In 1995, het jaar van de veronderstelde doorbraak, probeerde een groep producenten CD-i met een reclamecampagne in de markt te zetten. De impuls kwam via de Interactieve Encyclopedie (geen Nederlands origineel van de Winkler Prins of Uitgeverij Het Spectrum, maar een uit het Duits vertaalde en bewerkte encyclopedie) waardoor het laatste half jaar van 1996 nog zo’n 40.000 spelers werden verkocht. De eindstand van CD-i spelers in Nederland kwam daarmee rond 160.000 exemplaren uit. Wereldwijd werden net iets meer dan 1 miljoen CD-i-spelers verkocht.

Het begin van het einde voor CD-i werd in januari 1995 ingeluid met een artikel in het blad Management Team: Philips invents for who?; CD-i: ook het derde paradepaardje struikelt van de hand van Ton Smit en Erica Verdegaal. De auteurs constateerden dat de markt voor CD-ROM elf keer groter was dan die van CD-i. Bovendien werd de cdi-branche gedomineerd door één leverancier: Philips. Het artikel raakte een open zenuw bij de ondernemer. In 1996 werd binnen Philips een plan besproken voor de ‘global strategy for multimedia’, waarin CD-i een plaats had. Het plan werd afgeschoten. Philips wijzigde haar koers als contentproducent enals fabrikant van CD-i-apparatuur; het verliet het contentveld en legde zich toe op apparatuur.  Cor Boonstra, de toenmalige president-directeur en opvolger van Jan Timmer, verklaarde eind 1996 dat CD-i was mislukt. In een interview met NRC Handelsblad zei hij: ‘Ik denk dat onze drive om in deze hype van multimedia een belangrijke rol te spelen ertoe heeft geleid, dat we allemaal hebben gekeken hoe we snel een positie konden verwerven.’ In feite had Philips volgens Boonstra nooit de rol van uitgever mogen kiezen met het doel CD-i-spelers te verkopen.