Hoe de Nederlandse computer-geschiedenis weer tot leven
komt
Wat doet u met oude privé pc’s, cd-roms en oude
internetbestanden? Gooit u pc’s weg (zonder de schijven te wissen)? Doet u uw
cd-roms in de afvalbak voor plastic omdat u het wachtwoord bent vergeten of
omdat u de zilveren schijven toch niet meer kunt lezen? En laat u uw
internetbestanden weglopen via het digitale afvalputje na het commando
Ctrl+Alt+Delete?
En wat doet het bedrijf waar u werkt ermee? Heeft de
rechtsopvolger van VNU nog een exemplaar van de eerste business
videotexterminal in haar archief? Heeft HP/De Tijd de eerste cd-rom van 1995 in
een vitrine bij de receptie tentoongesteld? Kan Van Dale Lexicografie de eerste
e-woordenboekgroep E-N/N-E op minidisk van 1994 nog afspelen op de eerste Sony
Data Discman, de eerste e-reader in Nederland uit 1994? Waarschijnlijk zijn al
deze artefacten in de vergetelheid geraakt.
werd op deze dag de eerste in Nederland gebouwde computer gepresenteerd: de ARRA I (Automatische Relais Rekenmachine
Amsterdam). Hij werd in Amsterdam gebouwd door het Mathematisch Centrum, het huidige CWI. Het
was een machine die werkte met relais, door elektromagneten bediende
schakelaars. In de praktijk bleek de machine niet bruikbaar. Bij de presentatie
op 21 juni 1952 in aanwezigheid van de Amsterdamse burgemeester d'Ailly en
minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen F.J. Th. Rutten aanwezig moest
het apparaat een tabel met willekeurige getallen genereren, wat lukte, maar
daarna heeft het de geest gegeven. De ARRA II uit 1954 werd wel een succes.
Voor de introductie van internet was er reeds een informatie-industrie in Nederland. Het boek Toen digitale media nog nieuw waren geeft een overzicht van die periode vanaf 1968 tot 1997. Bestel het boek a 29,95 euro (zonder verzendkosten) op http://bit.ly/1DYjRSN
Recentelijk
ontving een aan de TU Delft gelieerd bedrijf 135 miljoen euro voor de
ontwikkeling van een nieuwe generatie computers, de quantumcomputers. Het kan
gezien worden als een renaissance van de computerbouw aan de universiteit en
wetenschappelijke instellingen.
Over de vroegste
computerbouw in Nederland is nu op YouTube
is een film verschenen. De film is geproduceerd door Google en tot stand
gekomen in samenwerking met het CWI, het nationaal onderzoeksinstituut voor
wiskunde en informatica in Amsterdam. De Nederlandse film is tot stand gekomen
met inhoudelijke bijdragen van informatica historicus Gerard Alberts (UvA),
Paul Klint, research Fellow aan het CWI, en computerpioniers Gerrit Blaauw,
Dirk Dekker en Jaap Zonneveld. De film
is beschikbaar via het Google Computing Heritage Youtube-kanaal, waarop Google
al verschillende internetfilms produceerde met het doel het Europees
informatica-erfgoed voor een breder publiek toegankelijk te maken en erkenning
te bieden aande computerpioniers van
vroeger.
Nederland had
weliswaar met Philips een bedrijf met een elektronische achtergrond, maar de eerste
Nederlandse computers kwamen van de universiteit. Vanaf 1952 bestudeerden
wetenschappers niet alleen computers, maar begonnen ze die ook te ontwikkelen.
Universiteiten en wetenschappelijke instellingen gingen ook computers bouwen.
De eerste
computer in Nederland was de ARRA I (Automatische Relais Rekenmachine
Amsterdam). Hij werd in Amsterdam gebouwd door het Mathematisch Centrum. Het
was een machine die wekte met relais, door elektromagneten bediende
schakelaars. In de praktijk bleek de machine niet echt bruikbaar. Bij de
presentatie op 21 juni 1952 in aanwezigheid van de Amsterdamse burgemeester
d'Ailly en minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen F.J. Th. Rutten
aanwezig moest het apparaat een tabel met willekeurige getallen genereren, wat
lukte, maar daarna heeft de computer de geest gegeven. De ARRA II uit 1954 werd
wel een succes. De computer bevatte radiobuizen en, transistors en een
ringkerngeheugen. Met deze computer werden met succes berekeningen uitgevoerd
voor o.a. de Fokker vliegtuigfabriek en het Waterloopkundig Laboratorium. De ARRA I
noch de ARRA II zijn bewaard gebleven. Daarna begonnen meer universiteiten en
wetenschappelijke instituten zoals de TU Delft en TNO computers te bouwen en
kwam vanaf 1958 een industrie op gang via het bedrijf Electrologica, dat later
werd overgenomen door Philips.
Het filmpje is
interessant. Niet alleen wordt er gesproken over hardware; ook wordt aandacht
besteed aan de Nederlandse computerpioniers. Opvallend is het verhaal over de
computervrouwen, slimme meiden die in het analoge tijdperk van de middelbare
school werden gehaald om rekenproblemen op te lossen. In het computertijdperk
werden deze vrouwen opgeleid tot programmeurs.
Nederlandse
wetenschappers gaan onder leiding van de TU Delft werken aan een supercomputer.
De computer moet over vijftien jaar klaar zijn. Het gaat om een zgn.
quantumcomputer is een project van QuTech, een instituut voor innovatie, voor
negen miljoen per jaar gefinancierd, gefinancierd door het Rijk, de TU Delft,
de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek en het
bedrijfsleven.
Na meer dan 60
jaar gaat Nederland weer een eigen computer bouwen. Want tussen 1950 en 1980
werden er computers gebouwd op universiteiten en door commerciële bedrijven in
Nederland. Sommige van die computers bestaan nog; veel bleven niet bewaard. In
2010 heeft SCEN, Stichting Computer Erfgoed Nederland, het Nationaal Register
Historische Computers gepubliceerd.
Universiteit als computerbouwer Vanaf 1952 bestudeerden wetenschappers niet alleen computers, maar begonnen ze die ook te ontwikkelen. Universiteiten en wetenschappelijke instellingen werden computerbouwers.
De eerste computer
in Nederland was de ARRA I (Automatische Relais Rekenmachine Amsterdam). Hij
werd in Amsterdam gebouwd door het Mathematisch Centrum. Het was een machine die
wekte met relais, door elektromagneten bediende schakelaars. In de praktijk
bleek de machine niet bruikbaar. Bij de presentatie op 21 juni 1952 in aanwezigheid
van de Amsterdamse burgemeester d'Ailly en minister van Onderwijs, Kunsten en
Wetenschappen F.J. Th. Rutten aanwezig moest het apparaat een tabel met
willekeurige getallen genereren, wat lukte, maar daarna heeft het de geest
gegeven. De ARRA II uit 1954 werd wel een succes. De computer bevatte
radiobuizen en, transistors en een ringkerngeheugen. Met deze computer werden met
succes berekeningen uitgevoerd voor o.a. de Fokker vliegtuigfabriek. De ARRA I
noch de ARRA II zijn bewaard gebleven. In 1954 werd door het Mathematisch Centrum begonnen met de bouw van een tweede generatie computer, de ARMAC (Automatische Rekenmachine MAthematisch Centrum); in 1956 was de computer klaar. Nieuw bij deze machine was dat de software als uitgangspunt werd genomen. Op basis van het ontwerp van de software werd vervolgens de hardware gebouwd. Deze computer maakte gebruik van transistors, een trommelgeheugen en een ringkerngeheugen. De ARMAC rekende onder andere ten behoeve van de Deltawerken. De computer leek commercieel perspectief te hebben. Er is overigens geen exemplaar van de ARMAC bewaard gebleven.
Ook op de TU
Delft werd onderzoek gedaan en werden computers gebouwd. In 1952 ontwikkelde
Willem van der Poel de ARCO (bijgenaamd Testudo). In het jaar erna werkte hij aan de
ontwikkeling van de PETRA, de eerste computer in Nederland met radiobuizen in
plaats van relais. In 1957 bouwde Van der Poel de eerste ZEBRA, die half werkt
met buizen en half met transistors. De ZEBRA was zo succesvol dat hij,
overigens volledig met transistors, in Groot-Brittannië door Stantec in
productie werd genomen. De ARCO is bewaard gebleven in de collecties van de TU
Delft; de PETRA is echter niet bewaard gebleven. Van de Stantec ZEBRA zijn nog
twee exemplaren te vinden in de collecties van de TU Delft.
Wetenschappelijke instellingen
Bij TNO bouwde men in 1955 een computer, de VTH, een technisch zeer geavanceerde analoge computer. Vliegtuigbouwer Fokker gebruikte de computer om vliegtuigbewegingen en luchtstromen te berekenen en simuleren. De VTH wordt gezien als de eerste zeer geavanceerde technisch-wetenschappelijke computer In Nederland. Van de VTH zijn nooit meer exemplaren gebouwen. Nu maakt de VTH deel uit van de collecties van de TU Delft.
In de jaren
vijftig was Philips als elektronicabedrijf niet actief in de bouw van commerciële
computers. Wel werd bij het Philips Natuurkundig Laboratorium (Natlab) de PETER gebouwd,
die in 1958 operationeel werd. Deze werd gevolgd door de PASCAL (Philips Akelig
Snelle CALculator), die in 1960 in gebruik werd genomen en veel sneller en
betrouwbaarder was dan zijn voorganger. Maar commercieel zat Philips met een
probleem, want het bedrijf was actief in het maken van componenten voor IBM. En
omdat dit een goede handel was, wilde Philips eigenlijk geen concurrent van IBM worden, maar dat veranderde na 1960.
Tegen het einde van de jaren vijftig waren de universiteiten, met name de Universiteit van Amsterdam en Technische Universiteit Delft, klaar met het bouwen van computers. Omdat het Mathematisch Centrum niets voelde voor een commercieel avontuur met de ARMAC, werd in 1956 het bedrijf Electrologica opgericht. Een jaar later kwam IBM met mainframes op de markt.
Het is
interessant om te observeren dat een vergelijkbare situatie is ontstaan rond de
quantumcomputer. Er is nog geen quantumcomputer. Er moet bovendien nog veel
onderzoek gedaan worden naar de toe te passen quantumleer, te gebruiken
nano-apparatuur, maar ook de software. Duurde de ontwikkeling van computers aan
de universiteiten in de jaren vijftig ruwweg een decennium, de ontwikkeling van
de quantumcomputer wordt geraamd op 15 jaar.