"Historisch besef van digitale media is zo diep als de meest recente verwijzing op Google"



woensdag 2 oktober 2013

Nederland bouwt weer een computer (1)

Nederlandse wetenschappers gaan onder leiding van de TU Delft werken aan een supercomputer. De computer moet over vijftien jaar klaar zijn. Het gaat om een zgn. quantumcomputer is een project van QuTech, een instituut voor innovatie, voor negen miljoen per jaar gefinancierd, gefinancierd door het Rijk, de TU Delft, de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek en het bedrijfsleven.

Na meer dan 60 jaar gaat Nederland weer een eigen computer bouwen. Want tussen 1950 en 1980 werden er computers gebouwd op universiteiten en door commerciële bedrijven in Nederland. Sommige van die computers bestaan nog; veel bleven niet bewaard. In 2010 heeft SCEN, Stichting Computer Erfgoed Nederland, het Nationaal Register Historische Computers gepubliceerd.

Universiteit als computerbouwer
Vanaf 1952 bestudeerden wetenschappers niet alleen computers, maar begonnen ze die ook te ontwikkelen. Universiteiten en wetenschappelijke instellingen werden computerbouwers.
 
 De eerste computer in Nederland was de ARRA I (Automatische Relais Rekenmachine Amsterdam). Hij werd in Amsterdam gebouwd door het Mathematisch Centrum. Het was een machine die wekte met relais, door elektromagneten bediende schakelaars. In de praktijk bleek de machine niet bruikbaar. Bij de presentatie op 21 juni 1952 in aanwezigheid van de Amsterdamse burgemeester d'Ailly en minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen F.J. Th. Rutten aanwezig moest het apparaat een tabel met willekeurige getallen genereren, wat lukte, maar daarna heeft het de geest gegeven. De ARRA II uit 1954 werd wel een succes. De computer bevatte radiobuizen en, transistors en een ringkerngeheugen. Met deze computer werden met succes berekeningen uitgevoerd voor o.a. de Fokker vliegtuigfabriek. De ARRA I noch de ARRA II zijn bewaard gebleven.

In 1954 werd door het Mathematisch Centrum begonnen met de bouw van een tweede generatie computer, de ARMAC (Automatische Rekenmachine MAthematisch Centrum); in 1956 was de computer klaar. Nieuw bij deze machine was dat de software als uitgangspunt werd genomen. Op basis van het ontwerp van de software werd vervolgens de hardware gebouwd. Deze computer maakte gebruik van transistors, een trommelgeheugen en een ringkerngeheugen. De ARMAC rekende onder andere ten behoeve van de Deltawerken. De computer leek commercieel perspectief te hebben. Er is overigens geen exemplaar van de ARMAC bewaard gebleven.

Ook op de TU Delft werd onderzoek gedaan en werden computers gebouwd. In 1952 ontwikkelde Willem van der Poel de ARCO (bijgenaamd Testudo). In het jaar erna werkte hij aan de ontwikkeling van de PETRA, de eerste computer in Nederland met radiobuizen in plaats van relais. In 1957 bouwde Van der Poel de eerste ZEBRA, die half werkt met buizen en half met transistors. De ZEBRA was zo succesvol dat hij, overigens volledig met transistors, in Groot-Brittannië door Stantec in productie werd genomen. De ARCO is bewaard gebleven in de collecties van de TU Delft; de PETRA is echter niet bewaard gebleven. Van de Stantec ZEBRA zijn nog twee exemplaren te vinden in de collecties van de TU Delft.

Wetenschappelijke instellingen
Bij TNO bouwde men in 1955 een computer, de VTH, een technisch zeer geavanceerde analoge computer. Vliegtuigbouwer Fokker gebruikte de computer om vliegtuigbewegingen en luchtstromen te berekenen en simuleren. De VTH wordt gezien als de eerste zeer geavanceerde technisch-wetenschappelijke computer In Nederland. Van de VTH zijn nooit meer exemplaren gebouwen. Nu maakt de VTH deel uit van de collecties van de TU Delft.

In de jaren vijftig was Philips als elektronicabedrijf niet actief in de bouw van commerciële computers. Wel werd bij het Philips Natuurkundig Laboratorium (Natlab) de PETER gebouwd, die in 1958 operationeel werd. Deze werd gevolgd door de PASCAL (Philips Akelig Snelle CALculator), die in 1960 in gebruik werd genomen en veel sneller en betrouwbaarder was dan zijn voorganger. Maar commercieel zat Philips met een probleem, want het bedrijf was actief in het maken van componenten voor IBM. En omdat dit een goede handel was, wilde Philips eigenlijk geen concurrent van IBM worden, maar dat veranderde na 1960.

Tegen het einde van de jaren vijftig waren de universiteiten, met name de Universiteit van Amsterdam en Technische Universiteit Delft, klaar met het bouwen van computers. Omdat het Mathematisch Centrum niets voelde voor een commercieel avontuur met de ARMAC, werd in 1956 het bedrijf Electrologica opgericht. Een jaar later kwam IBM met mainframes op de markt.

Het is interessant om te observeren dat een vergelijkbare situatie is ontstaan rond de quantumcomputer. Er is nog geen quantumcomputer. Er moet bovendien nog veel onderzoek gedaan worden naar de toe te passen quantumleer, te gebruiken nano-apparatuur, maar ook de software. Duurde de ontwikkeling van computers aan de universiteiten in de jaren vijftig ruwweg een decennium, de ontwikkeling van de quantumcomputer wordt geraamd op 15 jaar.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen