donderdag 14 juli 2016

E-bookbarometer Q2 2016


Persbericht CB 

E-bookbarometer Q2 2016: lenen steeds populairder, verkoop groeit weer 

Vandaag publiceert CB de e-bookbarometer met daarin de ontwikkeling van e-books in het Nederlands taalgebied, tweede kwartaal 2016.

Waar in het eerste kwartaal nog een lichte daling zichtbaar was in e-bookverkoop, ziet CB nu weer groei; +9% ten opzichte van hetzelfde kwartaal in 2015. E-bookuitleningen via bibliotheek.nl blijven onverminderd doorgroeien (+87% ten opzichte van Q2 2015). De gemiddelde consumentenadviesprijs daalt verder (-0,4% ten opzichte van het vorige kwartaal).

Nieuw in de infographic is het aandeel e-bookverkopen in literaire fictie; met 11,3% aanzienlijk hoger dan de 6,1% e-books in de totale boekverkoop. 

De trend in de verhouding verhuur versus verkoop lijkt op die van e-bookbarometer over het eerste kwartaal 2016. Net als de vorige keer stijgt de verkoop mee op het moment dat titels voor het eerst in de verhuur gaan.

Het aantal nieuwe titels lijkt minimaal gestegen. Er is echter een afname van titels gedurende het afgelopen kwartaal, door een mogelijke opschoning. Er zijn dus wel degelijk veel nieuwe e-books bijgekomen.

dinsdag 12 juli 2016

De Digitale Stad gaat weer herleven

De kennis van de geschiedenis van digitalisering is oppervlakking. In gastcolleges vraag ik studenten wel eens naar hun eerste computer, hun eerste bankrekening, hun eerste e-mail, hun eerste mobiele telefoon, hun eerste appie en met wie. De komst van de mobiele telefoon kunnen ze meestal nog wel herinneren, maar de eerste computer (nee, geen my first Sony!). 

Digitale archeologie 
Nu is er ook weinig van de digitale geschiedenis in Nederland te ervaren. Als het al iets dan gaat het voornamelijk over hardware, computers van mainframe, PC’s en draagbare computers. Er zijn weinig historische programma’s te ervaren. Gelukkig is er het Nederlands Instituut voor Games en Computers in Zwolle. M.n. in het Gamesmuseum, ook wel bekend als het Bonami Spel museum, geeft een goede beleving van spellen sinds de digitalisering. Maar een echte belving van bijvoorbeeld de eerste sites van internet was tot nu toe onmogelijk. Maar dat zal niet lang meer duren.   

De Digitale Stad (DDS)
Onlangs werd in het Amsterdam Museum een voorvertoning gegeven van site De Digitale Stad, die op 15 januari 1994 in Amsterdam van start ging en de eerst stimulans  voor consumenten internet in Nederlands was. Het was een project van het politiek-cultureel centrum De Balie en xs4all, naar het voorbeeld van de Free-Nets in Noord-Amerika. Aanleiding waren de gemeenteraadsverkiezingen in het voorjaar van 1994. Behalve via de plaatselijke televisie-, radio- en gedrukte media, zou via De  Digitale Stad een publieksdebat plaatsvinden. De metafoor van een virtuele stad werd gekozen om het karakter van het publieke domein van DDS  te benadrukken. Na eerst tekstuele informatie- en  communicatiediensten aangeboden te hebben, werd op 15 oktober 1994 overgegaan naar een grafi sche interface op het World Wide Web. De organisatie kreeg geld van de gemeente Amsterdam voor het opzetten van een site. Om het debat in forums aan te wakkeren was er natuurlijk publieke belangstelling nodig. En die kreeg DDS op radio en televisie en in de schrijvende pers. Marleen Stikker werd de virtuele burgemeester van dds en stond de media te woord. En aan de poorten stonden duizenden potentiële internetters van buiten Amsterdam te dringen om via een inbelverbinding toegang te krijgen tot dds. Na zes weken telde het project al meer dan tienduizend geregistreerde gebruikers. Niet alleen internet aanbieder xs4all was verrast door de belangstelling, maar ook lijnenboer PTT Telecom (citaat uit: Toen digitale media nog nieuw waren, pg. 250).

Virtuele beleving
Iets van de eerste opwinding uit 1994 zal in het najaar terug te voelen zijn, wanneer DDS versie 4.0 te beleven is. Zoals men nu nog steeds door Pompei kan lopen en een Romeinse stad kan ervaren, zo zal men dan ook de eerste Nederlandse virtuele stad kunnen bezoeken en herbeleven, voorzien van een plattegrond.
De voorvertoning van DDS versie 3.0 was onderdeel van het project ‘DDS herleeft’, een initiatief van het Amsterdam Museum, De Waag Society, UvA and Beeld en Geluid. De originele bestanden zijn teruggevonden in het DDS archief, dat in het bezit is van het Amsterdam Museum. Het bestand is 10Mb en stond op een harde schijf. Deze heeft 20 jaar opgeslagen gelegen. Van het bestand hebben informaticastudenten van de Vrije Universiteit (VU) en de Universiteit van Amsterdam (UvA) twee versies gemaakt: één met alle gegevens en een replica. DDS versie 4.0 zal een emulatie zijn  die helemaal nieuw is geprogrammeerd 'om een hedendaags, stabiel en beveiligd functioneren mogelijk te maken'. In die versie zal men een avatar kunnen kiezen en door de stad kunnen verplaatsen van café naar postkantoor en bibliotheek via de metro. 

20 jaar terug in de tijd 
‘DDS herleeft’ is een eerste webarcheologisch project, waarmee men terug kan naar internet zoals het was tussen 1994 en 1996. Daarmee kunnen we zo'n twee decennia terugkijken. Het zou mooi zijn als we nu ook de eerste online publieksdienst Viditel van 1980 zouden kunnen nabouwen en online beschikbaar stellen, zodat men kan voelen hoe het was om via videotex informatie tot zich te nemen. Misschien heeft het ex PTT museum, het Museum voor Communicatie, of de opvolger van PTT nog een paar tapes liggen.

dinsdag 10 mei 2016

Van zandpad naar snelweg



Tussen de knooppunten de Waterberg en het Velperbroekcircuit raast nu het verkeer over de A12. Maar dat was anders na de Tweede Wereldoorlog. Toen lagen er steile zandtaluds; het grote zandpad, dat Nazi architect Speer had achtergelaten. Dit beeld komt ook op in de internetgeschiedenis in het jaar 1994. Door de lancering van De Digitale Stad in 1994 kwam internet voor consumenten op gang met menig grootschalige initiatief, zoals  plannen voor een digitale snelweg, terwijl er nog maar een zandpad lag van 28,8K aan modemsnelheid. 

 

Een van deze initiatieven was Het Electronic-Highway Platform Nederland (EPN). De stichting werd opegricht in september 1994 en voor het einde van het jaar presenteerden het toenmalige automatiseringsbedrijf Cap Volmac, de VVD en een aantal zakelijke partijen zoals PTT Telecom initiatieven voor een breedband infrastructuur voor internet in Utrecht, Eindhoven en Den Haag. In Utrecht werd gestreefd naar een infrastructuur voor de Rijksuniversiteit Utrecht, voor het bedrijfsleven rond de universiteit en voor de naburige woonwijk Rijnsweerd-Zuid. "Door EPN wordt ondermeer nagestreefd om via breedband-glasvezelkabel bijvoorbeeld één of meer complete stadswijken te voorzien van uiteenlopende diensten, zoals beeldtelefoon, telewinkelen, telewerkfaciliteiten, afstandsonderwijs, elektronische post, hotel-, vliegtuig-, en bioscoopreserveringen en - boekingen, beheren geldrekeningen, televergaderingen, raadplegen informatiebronnen, video- en games-on-demand, etc."

Maar EPN was ambitieus. In Utrecht ontmoette het project weinig enthousiasme uit het bedrijfsleven en al helemaal niet uit de uitgeverij, drukkerij en distributiebedrijven. Wegener, de uitgever van het Utrechts Dagblad, zag weinig in het project. Verder kwam het projectteam nooit toe aan het bedienen van de 2000 huishoudens in de woonwijk Rijnsweerd-Zuid. Er werd zelfs geen onderzoek in de wijk gedaan. Want dan had het team geweten dat de wijk niet met internet opgevoed hoefde te worden en er eigenlijk alleen maar een betere infrastructuur neergelegd moest worden. Tenslotte woonden en werkten in die wijk de meeste zelfstandige ondernemers per vierkante kilometer in Nederland, die al bezig waren met het gebruik van internet. De basisschool Rijnsweerd in die wijk kreeg in 1996 als eerste basisschool in Nederland kabelinternet. Het project EPN kwam echter niet van de grond. De nieuwsbrief Telecombrief concludeerde in 1996 dat Volmac te prominent aanwezig was in het project en het bedrijf gebruikte het project om haar kennis van de ICT- technologie bij te spijkeren. “Cap Volmac is leaping like a frog into cyberspace”, luidde de conclusie.

Maar alle inspanningen waren echter niet voor niets, want in 2007 de projectorganisatie werd omgebouwd tot een onafhankelijke stichting met het doel de evenwichtige maatschappelijke inbedding van informatie- en communicatietechnologie te bevorderen. In 2009 is EPN samengegaan met het Electronic Commerce Platform Nederland, het platform waar overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties kennis uitwisselen en samenwerken om de ontwikkeling van de Nederlandse informatiesamenleving te bevorderen.

maandag 25 april 2016

30 jaar .nl


Vandaag is het 30 jaar geleden dat het landensuffix .nl in gebruik werd genomen. Bovendien was .nl het eerste, operationele landensuffix. De aanduiding van landen werd in Nederland bedacht.
 

Internetpioniers Jaap Akkerhuis, Daniel Karrenberg, Teus Hagen en Piet Beertema (rechts) ter gelegenheid van zijn pensionering, op 16 September 2004. Bron: CWI.





In Nederland had het Mathematisch Centrum (MC) in Amsterdam in 1982 al contact met Arpanet en speelde het instituut een rol in het netwerk van Europese universiteiten. Zo werd het MC een knooppunt tussen de VS en Europa. Vanuit Arpanet werden domeinnamen uitgegeven Maar in 1986 raakten de domeinnamen op voor de 25.000 computers, aangesloten op het UUCP-netwerk van de universiteiten en het Arpanet.  Deze domeinnamen verwezen naar defenbsie-instellingen, universiteiten en onderzoeksinstellingen. Piet Beertema, medewerker van MC, maar dan sinds 1983 met een nieuwe naam Centrum voor Wiskunde en Informatie (CWI), bedacht toen het landensuffix in de domeinnaam.   John Postel van het Stanford Research Institute, verantwoordelijk voor de domeinnamen, keurde het landensuffix als naamgevend instrument goed.

En zo kreeg Nederland op 25 april 1986 zijn suffix .nl toegewezen. Nederland was het eerste land met een eigen landenaanduiding. Op 30 april volgde de registratie van de eerste Nederlandse domeinnaam: cwi.nl. De eerstvolgende instituten waren: nluug.nl; nikhef.nl; rug.nl en sara.nl. Piet Beertema werd registrar en hield de domeinnamen bij. Erg druk had hij het niet in de eerste jaren, want de eerste twee jaar registreerde hij slechts 60 domeinen in zijn zakboekje. In 1989 werd er slechts één domeinnaam geregistreerd. Behalve academische rekencentra konden ook bedrijven een domeinnaam laten registreren, tenminste als zij hun inschrijving bij de Kamer van Koophandel konden overleggen.

Dat er weinig groei was, lag ook aan de gedaanteverandering die internet onderging. Arpanet besloot om als militaire tak van internet verder te gaan en het National Science Foundation (NSF) werd in 1988 verantwoordelijk voor het academische en commerciële NSFnet. Op 17 november 1988 om 14:30 uur koppelde Piet Beertema Nederland als een van de eerste landen buiten de VS aan het academische netwerk NSFnet, de opvolger van Arpanet. Nederland bracht de eerste, niet militaire, transatlantische internetverbinding tot stand.




De aansluiting gaf wel een impuls aan de academische wereld voor het gebruik van internet. Maar het registreren van domeinnamen nam pas echt toe vanaf 1993, toen XS4ALL op 1 mei haar internetdiensten voor consumenten lanceerde en op de eerste dag 500 abonnementen afsloot. En internet kwam echt op gang toe De Digitale Stad haar poorten openden en bedrijven niet wisten hoe snel ze zich moesten registreren om een internetprofiel te hebben. Om alle registraties bij te kunnen houden werd de Stichting Internet Domeinregistratie Nederland (SIDN) opgericht. Op 31 januari 1996 werden de taken van het CWI overgenomen.  

Eind maart 2016 waren meer dan 5,6 miljoen domeinnamen geregistreerd bij SIDN (zie SIDN statistieken). Nederland is hiermee vierde op de ranglijst van het aantal domeinnamen met een landensuffix (country code Top Level Domain – ccTLD). Nederland wordt voorafgegaan door .cn(China), .de (Duitsland) en .uk (Verenigd Koninkrijk). Opvallend is dat de VS geen landensuffix heeft.

PS Het boekje van Piet Beertema met de 60 eerste domeinnamen is in het bezit van SIDN, maar niet voor het publiek beschikbaar.