dinsdag 10 mei 2016

Van zandpad naar snelweg



Tussen de knooppunten de Waterberg en het Velperbroekcircuit raast nu het verkeer over de A12. Maar dat was anders na de Tweede Wereldoorlog. Toen lagen er steile zandtaluds; het grote zandpad, dat Nazi architect Speer had achtergelaten. Dit beeld komt ook op in de internetgeschiedenis in het jaar 1994. Door de lancering van De Digitale Stad in 1994 kwam internet voor consumenten op gang met menig grootschalige initiatief, zoals  plannen voor een digitale snelweg, terwijl er nog maar een zandpad lag van 28,8K aan modemsnelheid. 

 

Een van deze initiatieven was Het Electronic-Highway Platform Nederland (EPN). De stichting werd opegricht in september 1994 en voor het einde van het jaar presenteerden het toenmalige automatiseringsbedrijf Cap Volmac, de VVD en een aantal zakelijke partijen zoals PTT Telecom initiatieven voor een breedband infrastructuur voor internet in Utrecht, Eindhoven en Den Haag. In Utrecht werd gestreefd naar een infrastructuur voor de Rijksuniversiteit Utrecht, voor het bedrijfsleven rond de universiteit en voor de naburige woonwijk Rijnsweerd-Zuid. "Door EPN wordt ondermeer nagestreefd om via breedband-glasvezelkabel bijvoorbeeld één of meer complete stadswijken te voorzien van uiteenlopende diensten, zoals beeldtelefoon, telewinkelen, telewerkfaciliteiten, afstandsonderwijs, elektronische post, hotel-, vliegtuig-, en bioscoopreserveringen en - boekingen, beheren geldrekeningen, televergaderingen, raadplegen informatiebronnen, video- en games-on-demand, etc."

Maar EPN was ambitieus. In Utrecht ontmoette het project weinig enthousiasme uit het bedrijfsleven en al helemaal niet uit de uitgeverij, drukkerij en distributiebedrijven. Wegener, de uitgever van het Utrechts Dagblad, zag weinig in het project. Verder kwam het projectteam nooit toe aan het bedienen van de 2000 huishoudens in de woonwijk Rijnsweerd-Zuid. Er werd zelfs geen onderzoek in de wijk gedaan. Want dan had het team geweten dat de wijk niet met internet opgevoed hoefde te worden en er eigenlijk alleen maar een betere infrastructuur neergelegd moest worden. Tenslotte woonden en werkten in die wijk de meeste zelfstandige ondernemers per vierkante kilometer in Nederland, die al bezig waren met het gebruik van internet. De basisschool Rijnsweerd in die wijk kreeg in 1996 als eerste basisschool in Nederland kabelinternet. Het project EPN kwam echter niet van de grond. De nieuwsbrief Telecombrief concludeerde in 1996 dat Volmac te prominent aanwezig was in het project en het bedrijf gebruikte het project om haar kennis van de ICT- technologie bij te spijkeren. “Cap Volmac is leaping like a frog into cyberspace”, luidde de conclusie.

Maar alle inspanningen waren echter niet voor niets, want in 2007 de projectorganisatie werd omgebouwd tot een onafhankelijke stichting met het doel de evenwichtige maatschappelijke inbedding van informatie- en communicatietechnologie te bevorderen. In 2009 is EPN samengegaan met het Electronic Commerce Platform Nederland, het platform waar overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties kennis uitwisselen en samenwerken om de ontwikkeling van de Nederlandse informatiesamenleving te bevorderen.

maandag 25 april 2016

30 jaar .nl


Vandaag is het 30 jaar geleden dat het landensuffix .nl in gebruik werd genomen. Bovendien was .nl het eerste, operationele landensuffix. De aanduiding van landen werd in Nederland bedacht.
 

Internetpioniers Jaap Akkerhuis, Daniel Karrenberg, Teus Hagen en Piet Beertema (rechts) ter gelegenheid van zijn pensionering, op 16 September 2004. Bron: CWI.





In Nederland had het Mathematisch Centrum (MC) in Amsterdam in 1982 al contact met Arpanet en speelde het instituut een rol in het netwerk van Europese universiteiten. Zo werd het MC een knooppunt tussen de VS en Europa. Vanuit Arpanet werden domeinnamen uitgegeven Maar in 1986 raakten de domeinnamen op voor de 25.000 computers, aangesloten op het UUCP-netwerk van de universiteiten en het Arpanet.  Deze domeinnamen verwezen naar defenbsie-instellingen, universiteiten en onderzoeksinstellingen. Piet Beertema, medewerker van MC, maar dan sinds 1983 met een nieuwe naam Centrum voor Wiskunde en Informatie (CWI), bedacht toen het landensuffix in de domeinnaam.   John Postel van het Stanford Research Institute, verantwoordelijk voor de domeinnamen, keurde het landensuffix als naamgevend instrument goed.

En zo kreeg Nederland op 25 april 1986 zijn suffix .nl toegewezen. Nederland was het eerste land met een eigen landenaanduiding. Op 30 april volgde de registratie van de eerste Nederlandse domeinnaam: cwi.nl. De eerstvolgende instituten waren: nluug.nl; nikhef.nl; rug.nl en sara.nl. Piet Beertema werd registrar en hield de domeinnamen bij. Erg druk had hij het niet in de eerste jaren, want de eerste twee jaar registreerde hij slechts 60 domeinen in zijn zakboekje. In 1989 werd er slechts één domeinnaam geregistreerd. Behalve academische rekencentra konden ook bedrijven een domeinnaam laten registreren, tenminste als zij hun inschrijving bij de Kamer van Koophandel konden overleggen.

Dat er weinig groei was, lag ook aan de gedaanteverandering die internet onderging. Arpanet besloot om als militaire tak van internet verder te gaan en het National Science Foundation (NSF) werd in 1988 verantwoordelijk voor het academische en commerciële NSFnet. Op 17 november 1988 om 14:30 uur koppelde Piet Beertema Nederland als een van de eerste landen buiten de VS aan het academische netwerk NSFnet, de opvolger van Arpanet. Nederland bracht de eerste, niet militaire, transatlantische internetverbinding tot stand.




De aansluiting gaf wel een impuls aan de academische wereld voor het gebruik van internet. Maar het registreren van domeinnamen nam pas echt toe vanaf 1993, toen XS4ALL op 1 mei haar internetdiensten voor consumenten lanceerde en op de eerste dag 500 abonnementen afsloot. En internet kwam echt op gang toe De Digitale Stad haar poorten openden en bedrijven niet wisten hoe snel ze zich moesten registreren om een internetprofiel te hebben. Om alle registraties bij te kunnen houden werd de Stichting Internet Domeinregistratie Nederland (SIDN) opgericht. Op 31 januari 1996 werden de taken van het CWI overgenomen.  

Eind maart 2016 waren meer dan 5,6 miljoen domeinnamen geregistreerd bij SIDN (zie SIDN statistieken). Nederland is hiermee vierde op de ranglijst van het aantal domeinnamen met een landensuffix (country code Top Level Domain – ccTLD). Nederland wordt voorafgegaan door .cn(China), .de (Duitsland) en .uk (Verenigd Koninkrijk). Opvallend is dat de VS geen landensuffix heeft.

PS Het boekje van Piet Beertema met de 60 eerste domeinnamen is in het bezit van SIDN, maar niet voor het publiek beschikbaar.

vrijdag 22 april 2016

E-books: verkoop daalt licht, uitleningen blijven stijgen


Persbericht CB
21 april 2016

Voor het tweede kwartaal op rij is een daling zichtbaar in de e-bookverkoop (-7% ten opzichte van hetzelfde kwartaal in 2015, in het vorige kwartaal was dit -1%). Lenen van e-books via de bibliotheek steeg met 110% ten opzichte van Q1 2015.

CB ziet een lichte daling van de gemiddelde consumenten adviesprijs van een e-book ten opzichte van die van het fysieke boek. Nu 54,6%. Daarnaast is 92% van de titels uit de Bestseller 60 (top-60 verkopen over 12 maanden) ook digitaal beschikbaar. Dat is 4% meer dan vorig kwartaal.

De e-bookbarometer kent twee nieuwe typen feiten en cijfers: lifecycle van een bestseller en verhouding verhuur/verkoop. In de lifecycle laat CB zien hoe de gemiddelde trend is van e-bookverkopen van de top25 na verschijning. De analyse verkoop/verhuur laat een trend zien waaruit je kunt concluderen dat uitleningen additioneel zijn aan verkoop.


maandag 7 maart 2016

De uitvinder van de apenstaart is dood

Op 5 maart is Raymond (roepnaam Ray) Tomlinson op 74-jarige leeftijd overleden, waarschijnlijk aan een hartaanval. De aankondiging van zijn overlijden werd gedaan door zijn oud-werkgever Bolt Beranek and Newman en bevestigd op Twitter door Vint Cerf, de uitvinder van netwerkprotocol TCP/IP. Tomlinson heeft altijd een relatie met Nederland gehad, aangezien hij in de plaats Amsterdam in de Amerikaanse staat New York geboren werd op 2 oktober 1941. 

Apenstaartje 
Tomlinson werkte voor zijn oud-werkgever mee aan de ontwikkeling van het militaire en later ook academische netwerk ARPANET, de voorloper van Internet. Hij zat middenin de ontwikkeling van het package-switch netwerk. Voor dat netwerk ontwikkelde hij software voor de berichtendienst, zoals wij die nu als e-mail kennen.
Dat wil niet zeggen dat tegelijk iedereen deze software accepteerde. Er hadden zich reeds enkele berichtendiensten ontwikkeld tussen de weinige mainframes die in het Amerikaanse leger, universiteiten en bedrijven werkten. Maar deze berichtendiensten waren steeds gebaseerd op 1-op-1 verbindingen tussen gebruikers en computers en v.v. Bovendien waren deze diensten in het begin bestemd voor intern verkeer. Zo schreef bijvoorbeeld Dough Engelbarth, de uitvinder van de muis, het programma NLS (oNLine System), waarmee een database met verzonden en ontvangen berichten gecreëerd werd.  Deze berichtendiensten werden later gecommercialiseerd door bijvoorbeeld IBM, Digital Equipment Corp. met DECNET, General Electric Corp. met GEISCO British Telecom met Telecom Gold en PTT Telecom met Memocom, steeds op basis van 1-op-1 verbindingen via huurlijnen of via datanetten. Maar als je zakelijke relaties op een ander computersysteem of netwerk zaten dan kon je geen zaken met ze doen of afspraken maken.


Een print van een e-mail connectie met een snelheid van 1200bps op de berichten-dienst Telecom Gold. Identificatie was een code ID VNUXXX zonder apenstaartje.






Toen binnen Arpanet netwerken met package-switch protocollen begonnen te ontstaan, werd de adressering van de ontvanger en de ontvangende computer een probleem. Aangezien de pakketjes met stukjes van het bericht niet langen 1-op-1 verzonden werden, maar lang meerdere routes, moest de ontvangen, maar ook de ontvangende computer bekend zijn. Tomlinson kwam in de herfst van 1971 voor dit probleem met de oplossing de apenstaartje (@) als verbinding tussen de naam en ontvangende computer. Het duurde tot het begin van de jaren negentig voordat het apenstaartje in algemeen gebruik kwam. Mijn huidige e-mail adres dateert van 1995.

Symbool 
Gevraagd waarom hij het @ teken gebruikte, antwoordde hij dat het teken niet of nauwelijks gebruikt werd. Het was een teken overgenomen van mechanische rekenmachines, waar het gebruikt werd bij vermenigvuldigingen: 10 stuks @ 9,999. In het Engels werd het teken aangeduid als at: dus 100 stuks voor 9,99. Bovendien vond hij het een goede aanduiding op welke computer of in welk computerbestand men het bericht kon vinden.

Het eerste bericht 
Natuurlijk is iedereen nieuwsgierig naar het eerste bericht dat Tomlinson schreef. Gevraagd naar het eerste bericht antwoordde hij, dat hij dat niet meer wist. Het was een testbericht met een adres inclusief apenstaartje en als boodschap wat losse letters. Maar ook gaat het verhaal dat hij waarschijnlijk (als goed Amerikaan) de eerste regel van Lincoln’s Gettysburg Address in hoofdletters als bericht had geschreven. Maar dit verhaal lijkt echter te veel op het verhaal van de pionier van elektronische boeken Michael Hart, die in 1971 Lincoln’s Gettysburg Address  met hoofdletters als eerste e-boek in een mainframe opsloeg.

Waardering 
Tomlinson kreeg van de Internet Society een plaats in de "Internet Hall of Fame". MIT plaatste hem als vierde op de lijst van de top 150 meest invloedrijke personen van de universiteit.

Apenstaartje als symbool 
Het apenstaartje werd in verschillende landen een icoon voor internet. Het lijkt erop dat het symbool een mysterieuze marketingkracht had, die vertaald werd in staarten van dieren, en pars-pro-tot voor hele dieren, maar ook voor astronomische gerechten.
In Nederland werd het e-mail symbool @ vanaf het begin als apenstaart(je) aangeduid. Tegenwoordig is de marketingmystiek af van het woord apenstaart(je) en wordt het teken meer als at aangeduid. Een rondgang langs de uitdrukking voor het e-mail symbool in andere landen levert een bonte revue op van dieren met staarten. Het dichtst bij het Nederlandse apenstaart(je) is het Afrikaanse aapstert. In Duitsland wordt wel eens Klammeraffe gebruikt dat staat voor slingeraap, maar ook een scheldwoord is van kantoormannetje, pennenlikker. In het Pools en het Sloveens wordt het woord aapje gebruikt. Maar in verschillende talen wordt de part pro tot stijlfiguur gebruikt en passeert er een dierentuin met dieren met staarten: in het Deens wordt varkenstaart gebruikt, in het Fins kattenstaart, in het Maderijns Chinees muisje en in het Russisch hond. Maar ook dieren zonder staart passeren de revue: in Esperante slak en het Italiaans beperkt zich tot het slakkenhuisje, in het Hongaars wormen en in het Nieuwgrieks eendje. In het Fins kan het symbool ook aangeduid worden als miauw van een kat.
Ook gastronomische gerechten worden als aanduiding gebruikt: in het Hebreeuws en Zweeds lijkt het symbool op een zoet kaneelbroodje. Het Tsjechisch is uniek in haar aanduiding van een zure rolmops.
Er zijn ook taalkundige aanduidingen:  in het Baskisch gewalste-a of gewikkelde-a; in het Bosnisch gekke a; in het Deens en Zweeds ook als snavel-a of slurf-a; in het Noors de alfakrul en in het Turks a met een staart.

Apenstaartje als icoon 
Het at teken werd in Nederland gesymboliseerd in de term apenstaart(je) en bleek een aantrekkelijke marketingkracht te hebben. Zo gebruikte  de toenmalige internetprovider Euronet het apenstaartje op de affiches die ’s morgens op 1 mei 1995 in de bushokjes in het centrum van Amsterdam hingen. De affiche riep grote verwondering op, aangezien slechts een paar duizend mensen toen bekend waren met internet. (Affiche eigendom CJB).

@men 


woensdag 2 maart 2016

Een stapeltje beeldplaten

In augustus 2014 publiceerde ik de tiendelige serie Bevroren online over de ijstijd van online. Hierin worden de optische media behandeld van beeldplaat tot DVD. Recentelijk kreeg ik van Wim Ouwerkerk, een veteraan in ziekenhuisautomatisering en computer-ondersteund onderwijs (COO) een stapeltje beeldplaten. Kenmerkend voor deze zilverkleurige schijven met een diameter van 30 cm, is dat zowel beeld als geluid analoog zijn opgeslagen. De beeldplaat werd later LaserVision genoemd en het geluid digitaal gecodeerd werd.


Een van de mooiste beeldplaten in het stapeltje was de uitgave van Vincent van Gogh – A portrait in two parts (1982), een uitgave van Philips International/North American Philips. De speelduur per zijde was 1 uur, maar er waren navigatieprompts aanwezig zoals begin, einde, hoofdstukken, snel, normaal, langzaam. Side 1 bevat zo’n 400 tekeningen en schilderijen evenals muziekfragmenten. Side 2 bevat in video het toneelstuk Van Gogh uit 1978, geschreven door Philip Stephens met Leonard Nimoy als Theo van Gogh, de broer van Vincent. Het is een one-man multimedia show van 58 minuten.


Maar er zat meer in het stapeltje beeldplaten. De beeldplaat van Vincent van Gogh was zilverkleurig. Maar er waren ook een paar goudkleurige platen aanwezig met het logo CD-Video. Ik had tot nu toe deze goudkleurige platen nog niet gezien en moest dus even in de achtergrond duiken. De CD-Video is bedacht en ontwikkeld door Philips, en op 2 september 1987 op de markt gebracht. In tegenstelling tot de voorloper LaserVision wordt op CD-Video het geluid digitaal opgeslagen. Het beeld is echter nog steeds analoog. Er zijn verschillende varianten op de markt gebracht van 8, 20 en 30 cm diameter. De 8cm CD Video was een video-single met 20 minuten muziek en een videoclip kon bevatten. Ook zijn er varianten van 20 en 30 centimeter, maar deze zijn, volgens Wikipedia,  zo weinig toegepast dat elk exemplaar een collector's item is.

In het stapeltje beeldplaten zitten er twee CD-Video’s, een van 20 cm diameter met een video single en een van 30 cm diameter met een film. De 20 cm diameter CD-Video is van de band Dire Straits met Brothers in Arms uit 1986 met 20 minuten speeltijd, uitgebracht door Phonogram, een onderdeel van Polygram, een Philips dochter. Een mededeling op de cover zegt, dat deze gouden schijf zowel digitaal geluid als video afspeelt en alleen af te spelen is op een CD-Videomachine. Bij een van de schijvencatalogi maakte een bezoeker de opmerking, dat deze schijven een hoge CD-rot vertonen; ook het exemplaar uit het stapeltje laat CD-rot zien.
 

De 30 cm CD-Video License To Kill (1989) bevat een film op twee schijven. Beide schijven zijn goudkleurig en zijn ondertiteld voor de Nederlandstalige markt: Bond gaat er tegen aan: harde dan ooit! De film is op CD-Video uitgebracht door Warner Home Video. De speelduur van de film is 139 minuten.


CD-Video is een probeersel geweest tussen de LaserVision en de DVD. Grappig genoeg is in het stapeltje schijven ook een duidelijk voorbeeld hiervan te vinden. De cover van film A Fish Called Wanda (1992) bevat een logo van Laser Disc, desondanks is de schijf op de cover afgebeeld als een gouden schijf. De fysieke schijf is echter zilverkleurig.



De laserdisc en de CD-Video zijn nooit een succes geworden. De technologieën volgden elkaar in sneltrein tempo op en allerlei parallelle technologieën zoals CD media werden uitgeprobeerd. Zo experimenteerde het post-productiebedrijf Valkieser in 1993 een CD-i met video. En in 1995 produceerde ODME een van de eerste protoypes van de DVD; hiervoor werd de film gebruikt The Netherlands van Bert Haanstra, gemaakt in opdracht van de RijksVoorlichtingsDienst (RVD).

maandag 15 februari 2016

Beeld en Geluid begint videogame-archief

Persbericht

15 februari 2016


Maandag 15 februari ontvangt het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid uit handen van de Nederlandse gameontwikkelaar Radarsoft een belangrijke collectie vroege videogames, waaronder populaire titels als Hopeloos en Eindeloos. Deze zijn in de jaren 80 uitgebracht voor de Commodore 64 en MSX computers. Tot de collectie behoren ook meerdere bekende educatieve games, zoals Topografie Nederland en Tempo Typen, die werden gebruikt in het NCRV-televisieprogramma It's All in the Game.










Mediaconsumptie in Nederland beperkt zich allang niet meer tot de traditionele kanalen van radio en televisie. Daarom heeft Beeld en Geluid, het media-archief in Hilversum, besloten zijn archief uit te breiden met nieuwe verzamelgebieden, zoals videogames en internetcultuur.

"Onze doelgroep wil kunnen ervaren hoe videogames zich hebben ontwikkeld tot een volwaardig onderdeel van de dagelijkse mediaconsumptie. Het bewaren en speelbaar houden van de belangrijkste Nederlandse gameproducties is daarom onontbeerlijk voor ons archief." 
Jan Müller, algemeen directeur van Beeld en Geluid 

"Vanuit het oogpunt van nostalgie vinden wij het belangrijk dat ook een jong publiek kennis kan blijven nemen van deze tijd. Voor veel mensen vormen deze oude games een moment van herkenning. Vaak waren games de eerste kennismaking met de computer." 
Edwin Neuteboom, mede-oprichter van Radarsoft 

Nationale agenda 
De overdracht van de Radarsoft-collectie aan Beeld en Geluid valt samen met de eerste expertbijeenkomst in het kader van een nationale agenda voor duurzame archivering van videogames. Universiteiten, hogescholen, culturele instellingen en vertegenwoordigers uit de game-industrie komen maandag 15 februari samen bij Beeld en Geluid om te bepalen wat nodig is om het game-erfgoed voor de toekomst veilig te stellen. Vooral het interactieve karakter van games en de verschuiving van offline naar online maken het bewaren van games een ingewikkelde opgave.

Meer info: Beeld en Geluid

donderdag 4 februari 2016

E-bookbarometer 2015: digitaal lezen blijft groeien

Persbericht CB 21 januari 2016 

In de e-bookbarometer over het laatste kwartaal van 2015 die CB vandaag publiceert, is wederom groei te zien in digitaal lezen. Over heel 2015 waren er 38% meer transacties (verkopen en uitleningen) dan in 2014. E-bookverkopen deden het over heel 2015 15% beter dan in 2014.
De e-bookverkopen laten ten opzichte van hetzelfde kwartaal in 2014 een lichte daling zien (-1%). De e-bookuitleningen stijgen nog steeds (+26% ten opzichte van het vierde kwartaal van 2014). Daarnaast stijgt het aantal titels dat als e-book beschikbaar is ten opzichte van het vorige kwartaal (+2%), evenals het aantal uitgeverijen dat e-books uitgeeft (+10%).
De gemiddelde consumenten adviesprijs van e-books daalde iets verder ten opzichte van het vorige kwartaal (van 57,7% naar 56,7% van de gemiddelde fysieke verkoopprijs).
Note: De cijfers van de abonnementsdiensten zijn niet opgenomen in deze e-bookbarometer omdat de transactieaantallen zich niet gemakkelijk laten vergelijken met e-bookverkopen en –uitleningen. In de volgende e-bookbarometer nemen we deze weer mee.